Bibliotheek

Het verdrag van Al-H’oedaibiyyah

Sheikh Safie ar-Rah’maan al-Moebarakfoeri
982 keer gelezen

Het verdrag van Al-H’oedaibiyyah

Toen het Arabische schiereiland getuige was van het grote indrukwekkende bereik dat de Islaam had, ten gunste van de moslims, begonnen de voorlopers van de grote verovering geleidelijk aan de demografische horizon op te duiken en herstelden het onbetwiste recht van de ware gelovigen om hun aanbidding in het heilige heiligdom te praktiseren.

Het was in het zesde jaar na de Hidjrah dat de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) in Medinah in een droom zag dat hij samen met zijn volgelingen het gewijde heiligdom Mekkah veilig binnentrad en zijn ‘Oemrah verrichtte, waarbij zij hun hoofden schoren. Toen hij sommige metgezellen informeerde over zijn droom, werden hun harten geraakt, aangezien zij daarin de plaatsvinding zagen van hun grote verlangen om deel te nemen aan de bedevaart en haar heilige rituelen, na een verbanning van zes jaar uit Mekkah.

De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) liet zijn kleren wassen, maakte zijn kameel rijklaar en marcheerde naar Mekkah als leider van vijftienhonderd moslims, inclusief zijn vrouw Oem Salamah. Sommige bedoeïenen die onverschillig waren, bleven met allerlei excuses achter. De moslims die vertrokken droegen geen wapens bij zich, behalve zwaarden die in hun schede waren geborgen; er was namelijk geen enkele intentie om oorlog te voeren. Ibn Oem Makthoem werd aangesteld om over de zaken in Medinah te waken, tijdens de afwezigheid van de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem). 

Toen zij Mekkah naderden, bij een plaats genaamd Dzoe l-H’oelayfah, beval de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) dat de dieren die geofferd zouden worden versierd moesten worden en dat alle gelovigen hun Ih’raam (kledij van een pelgrim) aantrokken. De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) stuurde vervolgens een verkenner om nieuws over de vijand te vergaren. De verkenner kwam terug en deelde hem mee dat een aantal slaven alswel een groot leger bijeen waren gekomen om hen tegen te houden en dat de weg naar Mekkah volledig was afgesloten. De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) overlegde met zijn metgezellen en zij waren van mening dat zij niemand zouden bevechten, tenzij zij verhinderd werden om de bedevaart te verrichten. 

Aan de kant van de Qoeraysh werd een vergadering ingelast waarin zij de hele situatie bespraken en uiteindelijk besloten om de missie van de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) ten koste van alles tegen te houden. Tweehonderd krijgers te paard, onder aanvoering van Khaalid Ibnoe l-Walied, werden er op uitgestuurd om de moslims te verrassen met een aanval tijdens het Dhohr-gebed (middaggebed). Echter, de regels van het gebed van angst werden geopenbaard en zij konden hierdoor de moslims niet verrassen. 

De moslims weken af van de geplande route en besloten om via een ruigere route te reizen. Khaalid Ibnoe l-Walied ging terug naar de Qoeraysh om hen van het laatste nieuws op de hoogte te stellen. 

Toen de moslims de plaats Thaniyat al-Marar bereikten, knielde de kameel van de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) en was te koppig om op te staan. Moh’ammed (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zwoer dat hij gewillig elk plan zou volgen om de heiligheden van Allah te verheerlijken. Vervolgens berispte en spoorde hij (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zijn kameel aan en die kwam daarna omhoog. Zij vervolgden hun reis en kwamen aan bij een plaats in Al-H’oedaibiyyah, vlakbij een karige waterput. Aangezien er op dat moment weinig water was kwamen de moslims bij de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) en klaagden over hun dorst. Bij het aanhoren van hun geklaag nam de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) een pijl en plaatste deze in een kuil. Direct daarna begon er water uit te stromen, waarvan zijn volgelingen konden drinken.

Toen de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) was uitgerust kwam Boedail Ibnoe Warqaa-e al-Khoezaa’ie met de vooraanstaanden van de Khoeza’ah stam, en vroegen hem waarvoor hij kwam. De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zij dat hij niet voor oorlog kwam en zei: “Ik heb geen ander plan dan de ‘Oemrah te verrichten in de heilige plaats. Zouden de Qoeraysh de nieuwe religie omarmen, zoals sommige van hen hebben gedaan, dan zijn zij zeer welkom, maar als zij mij in de weg staan of de moslims ervan weerhouden, dan zal ik hen waarlijk bevechten tot aan de laatste man, en het bevel van Allah moet uitgevoerd worden.” De afvaardiging nam deze boodschap mee terug naar de Qoeraysh, die daarop weer een andere afgezant Mikraz Ibn H’afs naar de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) stuurden, maar hij kwam met dezelfde boodschap terug. Hierop werd de ambassadeur Al-H’oelays Ibn ‘Alqamah gestuurd. Hij was erg onder de indruk van de vroomheid die de moslims tentoonspreidden voor de heilige Ka’bah. Hij ging terug naar zijn mensen en waarschuwde hen om Moh’ammed (Allah’s vrede en zegen zij met hem) en zijn metgezellen niet te weerhouden om het Huis van Allah te bezoeken. Vervolgens werd Al-H’oelays opgevolgd door ‘Oerwa Ibnoe Mas’oed at-Thaqafi om met de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) te onderhandelen. Tijdens deze discussie zei hij tegen de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem): “ Moh’ammed! Heb jij om jou heen verschillende mensen verzameld en dan tegen jou kennissen en familie opgezet om hen zo te vernietigen? Bij Allah, ik denk dat zij jou morgen zullen verlaten.” 

Op dat moment stond Aboe Bakr (moge Allah tevreden met hem zijn) op en toonde zijn kwaadheid wegens deze belediging. Al-Moeghierah Ibnoe Shoe’bah werd ook kwaad en verbood hem de baard van de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) aan te raken. Ondertussen zag ‘Oerwah tijdens zijn verblijf in het kamp van de moslims de onvoorstelbare liefde en het oprechte respect dat de volgelingen van Moh’ammed (Allah’s vrede en zegen zij met hem) voor hem hadden. Hij ging terug naar de Qoeraysh en vertelde hen dat die mensen onder geen enkele omstandigheid de profeet zouden verlaten. Hij uitte zijn gevoelens in de volgende bewoordingen: “Ik ben naar Chosroës  (Kisra of Chosroës I: keizer van Perzië. Hij wordt in de latere overlevering als de grootste van de Sassaniden beschouwd. Sedert 540 n.C. voerde hij herhaaldelijk oorlog tegen het Byzantijnse Rijk, waarbij hij Syrië plunderde en zijn gebied van de Indus tot aan de Middellandse Zee en de grenzen van Egypte uitbreidde. In 570 rukte hij zelfs tot Jemen in Arabië op), Caesar (Caesar is oorspronkelijk een familienaam van een tak van het Romeinse geslacht van de Julii, daarna werd het als een erenaam van de Romeinse keizers en troonopvolgers gebruikt) en Negus (Negus: de koning van Abessinië, de oude naam voor Ethiopië) in hun koninkrijken geweest, maar nooit heb ik een koning gezien onder zijn mensen zoals Moh’ammed onder zijn metgezellen. Als hij woedhoo-e verricht, dan lieten ze het water niet op de grond vallen; als hij spuugt, dan zouden zij met het slijm hun gezichten wassen; als hij spreekt, dan verlagen zij hun stemmen. Zij zullen hem in geen enkel geval verlaten. Hij biedt jullie nu een redelijk plan, dus doe wat jullie pleziert.”

Sommige roekeloze jongeren van de Qoeraysh merkten dat er onder hun leiders een overweldigende neiging was om een schikking te treffen. Zij stelden een plan op dat mogelijkerwijs een verdrag in de weg kon staan. Zij besloten om het kamp van de moslims te infiltreren en opstootjes te veroorzaken om deze vervolgens te laten uitgroeien tot een oorlog. Moh’ammed Ibn Maslamah, de leider van de moslimbewakers, had hun plan op tijd door en nam hen gevangen, maar gezien de verreikende gevolgen die hierdoor zouden ontstaan, liet de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) hen vrij. In deze context zegt Allah (de Verhevene): “En Hij is Degene Die hun handen van jullie heeft afgehouden en Die jullie handen van hen afgehouden heeft, in het midden van Mekkah, nadat Hij jullie de overwinning over hen had geschonken. En Allah is alziende over wat jullie doen.” Soerat Al-Fat-h’ (48), aayah 24.

De tijd verstreek en er werd tussen beide kampen volop onderhandeld, maar zonder enig resultaat. Toen verlangde de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) van ‘Oemar (moge Allah tevreden met hem zijn) om de edellieden van Qoeraysh te bezoeken. Maar ‘Oemar (moge Allah tevreden met hem zijn) verontschuldigde zichzelf vanwege zijn persoonlijke afgunst voor de Qoeraysh, en ook had hij geen invloedrijke familie in de stad die hem tegen het gevaar kon beschermen, en wees vervolgens naar ‘Oethmaan Ibn ‘Affaan (moge Allah tevreden met hem zijn), want hij behoorde tot één van de meest machtigste families van Mekkah. Als een geschikte afgevaardigde ging ‘Oethmaan (moge Allah tevreden met hem zijn) op weg naar Aboe Soefyaan en de andere leiders en deelde hen mee dat de moslims enkel gekomen waren om het heilige huis te bezoeken, te eren en daar aanbidding te verrichten, en geen enkele intentie hadden om oorlog te voeren. Ook moest hij hen van de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) naar de Islaam oproepen en voorspoedige tijden meedelen aan de gelovigen van Mekkah, dat de verovering naderde en dat de Islaam waarlijk zou zegevieren, omdat Allah Zijn religie zeker in Mekkah zou vestigen. ‘Oethmaan (moge Allah tevreden met hem zijn) verzekerde de edellieden van Qoeraysh ook, dat wanneer de ceremonies verricht zouden zijn, zij vreedzaam Mekkah zouden verlaten. Maar de Qoeraysh waren vastbesloten en toonden zich niet bereid om hen toestemming te geven om de Ka’bah te bezoeken. 

Zij boden echter ‘Oethmaan (moge Allah tevreden met hem zijn) wel aan om de ‘Oemrah te verrichten, indien hij dit alleen wilde doen. ‘Oethmaan (moge Allah tevreden met hem zijn) weigerde en zei: “Hoe is het mogelijk dat ik van deze kans gebruik maak, terwijl het de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) wordt ontzegd?” De moslims wachtten de komst van ‘Oethmaan (moge Allah tevreden met hem zijn) gespannen af met gemengde gevoelens van angst en nervositeit. Omdat hij niet op het geplande tijdstip terugkwam, dachten de moslims dat de Qoeraysh hem iets hadden aangedaan. De moslims waren zeer bezorgd en namen vervolgens de eed af bij de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem). Hierbij beloofden zij dat zij hun leven zouden opofferen om het leven van hun metgezel te wreken en standvastig naast hun meester Moh’ammed (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zouden blijven staan. Deze eed werd Bay’at Ar-Ridwan genoemd. De eersten die de eed aflegden waren Aboe Sinan al-Asadi en Salamah Ibn Al-Akwa’. Ze beloofden om te sterven voor de waarheid en herhaalden dit drie keer. Deze eed van trouw werd onder een boom verricht, waarbij ‘Oemar (moge Allah tevreden met hem zijn) de hand van de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) vasthield en Ma’qil Ibn Yasaar een tak van de boom omhoog hield. De Edele Qor-aan verwijst naar deze belofte in de volgende aayah: “Voorzeker, het welgevallen van Allah was met de gelovigen toen zij jou trouw zwoeren onder de boom, en Hij wist wat in hun harten was. Toen deed Hij de vrede op hen neerdalen en beloonde Hij hen met een nabije overwinning.” Soerat Al-Fat-h’ (48), aayah 18.

Toen de Qoeraysh de wil van de moslims zagen om hun laatste druppel bloed op te offeren voor de verdediging van hun geloof, realiseerden zij zich dat de volgelingen van Moh’ammed (Allah’s vrede en zegen zij met hem) niet door hun tactiek konden worden overwonnen. Na wat verdere uitwisselingen van boodschappen kwamen zij overeen om een verdrag van verzoening en vrede met de moslims aan te gaan. Het verdrag hield in:

  • De moslims zouden dit jaar teruggaan en volgend jaar terugkomen, maar zij mochten dan niet langer dan drie dagen in Mekkah blijven.
  • Zij zouden niet gewapend terugkomen, maar mochten hun zwaarden in hun scheden meenemen en deze in hun tassen verbergen.
  • Oorlogactiviteiten werden voor tien jaar opgezegd, zodat beide partijen in volledige veiligheid zouden leven en geen zwaarden naar elkaar zouden trekken.
  • Als iemand van de Qoeraysh naar Moh’ammed (Allah’s vrede en zegen zij met hem) ging zonder de toestemming van zijn beschermheer, dan moest hij naar de Qoeraysh teruggezonden worden. Andersom gold dit niet. En dus hoefde een moslim die naar de Qoeraysh zou komen niet teruggestuurd te worden.
  • Elke stam of clan van Arabië had het recht om een overeenkomst aan te gaan met de partij van hun keuze; maar de bondgenoten dienden zich ook te houden aan de voorwaarden van het verdrag naar letter en geest.

Bij het opstellen van het verdrag ontstond er een meningsverschil over de inleiding van het verdrag. Toen het verdrag op papier werd gezet fungeerde ‘Aliy Ibn Abie Taalib (moge Allah tevreden met hem zijn) als schrijver. ‘Aliy (moge Allah tevreden met hem zijn) schreef Bismilaahir-Rah’maanier-Rah’iem (in de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle) boven aan het document. Soehail maakte hier bezwaar op en zei: “Wij erkennen ar-Rah’maan (de Meest Barmhartige) niet, maar schrijf Bismika Allahoemma (in Uw Naam, O Allah), zoals gebruikelijk is.” De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zei: “Goed, doe het zo.” Toen ‘Aliy (moge Allah tevreden met hem zijn) de naam van de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) schreef, “Moh’ammed, de boodschapper van Allah,” protesteerde Soehail opnieuw en zei: “Als wij getuigd hadden dat jij de boodschapper van Allah bent, dan hadden wij jou niet van het Huis van Allah weggestuurd en noch met jou gevochten. Je dient te schrijven “Moh’ammed ibn ‘Abdoellah”.” “Ik ben Allah’s boodschapper, ook al geloof je niet in mij,” antwoordde de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) en vroeg ‘Aliy (moge Allah tevreden met hem zijn) om wat hij geschreven had, te verwijderen. ‘Aliy (moge Allah tevreden met hem zijn) antwoordde: “Bij Allah, ik kan dat niet doen.” De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) vroeg ‘Aliy (moge Allah tevreden met hem zijn) hem de plaats aan te wijzen wat uitgewist diende te worden (aangezien de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) niet kon lezen). ‘Aliy (moge Allah tevreden met hem zijn) wees het aan de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) die het uitwiste. Al snel na het verdrag werd de Khoezaa’ah stam, een vroegere medestander van Banoe Haashim een medestander van Moh’ammed (Allah’s vrede en zegen zij met hem), alsook Banoe Bakr die voorheen met de Qoeraysh heulde. 

Het was tijdens het opstellen van het verdrag dat Aboe Jandal, de zoon van Soehayl die op brutale wijze geketend werd, naar voren kwam. De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) en zijn metgezellen kregen medelijden en probeerden zijn vrijlating te regelen, maar Soehayl was vastbesloten en zei: “Om te laten zien dat jij trouw bent aan het verdrag, heeft zich hier een situatie aangediend.” De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zei: “Maar het verdrag was nog niet ondertekend, toen jouw zoon het kamp binnenkwam.” Hierop barstte hij in woede uit en zei: “Maar over de voorwaarden waren wij het al eens.” Even waren er spannende momenten. Aan de ene kant was daar de ontroerende Aboe Jandal die zei: “Ik word terug gebracht en zij kunnen bij mij misschien mijn geloof weglokken, Oh moslims!” En aan de andere kant werd het verdrag ook als iets noodzakelijks gezien, boven elke omstandigheid. Het hart van de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) liep over van medelijden, maar hij wilde zijn woord ten koste van alles nakomen. Hij troostte Aboe Jandal en zei: “Wees geduldig, laat jezelf over aan de Wil van Allah. Allah zal jou en jouw hulpeloze metgezellen hulp en middelen schenken om te ontsnappen. Wij hebben een verdrag van vrede met hun gesloten en wij hebben de eed in naam van Allah genomen. Wij zijn daardoor onder geen enkele omstandigheid bereid om het te verbreken.” ‘Oemar Ibn Al-Khattaab (moge Allah tevreden met hem zijn) kon zijn diepgewortelde haat niet in toom houden en vroeg Aboe Djandal zijn zwaard te nemen en Soehayl te doden. Maar de zoon spaarde zijn vader en werd geketend weggedragen.

Toen het vredesverdrag werd ondertekend, beval de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zijn metgezellen om hun offerdieren te slachten, maar zij waren te depressief om dat te verrichten. De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) herhaalde zijn instructies drie keer en steeds kreeg hij een negatief antwoord. Hij vertelde zijn vrouw Oem Salamah over de houding van zijn metgezellen en zij adviseerde hem zelf het initiatief te nemen om zijn dier te slachten en zijn hoofd kaal te scheren. Toen de moslims dat zagen, begonnen zij met verscheurde harten hun dieren te slachten en hun hoofden te scheren. Het ging zelfs zo ver dat zij door hun enorme leed elkaar bijna vermoordden. 

De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) bad drie keer voor degenen die hun hoofden hadden geschoren en eenmaal voor degenen die hun haren korter hadden geknipt. Een kameel werd geofferd per zeven mensen en een koe voor één persoon. De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) offerde een kameel, die eens aan Aboe Djahl toebehoorde en die de moslims tijdens de slag van Bedr als oorlogsbuit hadden genomen. Tijdens de Al-H’oedaibiyyah campagne stond de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) Ka’b Ibn ‘Oedjrah toe, die in staat van Ih’ram was, om ‘Oemrah te verrichten en vanwege zijn ziekte zijn hoofd te scheren op voorwaarde dat hij dit compenseerde door een schaap te offeren, door drie dagen te vasten of zes arme mensen te voeden. Hierover werd het volgende vers geopenbaard: “(Voor) wie van jullie ziek is of iets aan zijn hoofd heeft, dat hem last bezorgt (en waardoor scheren noodzakelijk is) is er fidyah (vervangende plicht): het vasten of voeden (van armen) of het slachten van een offerdier.” Soerat Al-Baqarah (2), aayah 196.

Ondertussen emigreerden sommige vrouwen naar Medinah en vroegen de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) voor bescherming, die zij ook kregen. Toen hun families hun terugkeer eisten, ging hij hier niet op in omdat het volgende vers werd geopenbaard. “O jullie die geloven, als er gelovige vrouwen, als uitgewekenen, tot jullie gekomen zijn, ondervraagt hen dan. Allah kent hun geloof het beste. Als jullie dan zeker weten dat zij gelovig zijn, stuurt hen dan niet terug naar de ongelovigen. Zij zijn niet toegestaan voor hen (de mannen), en zij (de ongelovigen mannen) zijn niet toegestaan voor hen (de gelovige vrouwen). En geeft hun (de ongelovige mannen) wat zij (aan bruidschat) hebben uitgegeven. En er is geen zonde voor jullie als jullie hen hun bruidschat geven om hen te huwen. En houdt niet vast aan de huwelijksbanden met de ongelovige vrouwen.” Soerat Al-Moemtah’ienah (60), aayah 10.

De reden waarom de gelovige vrouwen niet werden teruggegeven was ofwel dat het oorspronkelijk niet in de termen van het verdrag was opgenomen, want daarin werd alleen gesproken over mannen, of omdat de Qor-aan het verbood naar aanleiding van het vers: “O boodschapper! Als de gelovige vrouwen tot jou gekomen zijn om trouw aan jou te zweren, dat zij geen deelgenoten aan Allah toekennen…” Soerat Al-Moemtah’ienah (60), aayah 12.

Dit is ook het vers dat moslimvrouwen verbood om ongelovige mannen te huwen. En ook werden de mannen bevolen om hun huwelijken met niet-gelovige vrouwen te verbreken. Hierdoor scheidde ‘Oemar Ibn Al-Khattaab (moge Allah tevreden met hem zijn) twee van zijn vrouwen, die hij huwde voordat hij de Islaam accepteerde. Vervolgens trouwde Moe’aawiyah de eerste vrouw en Safwaan Ibn Oemayyah de tweede.

Het verdrag van Al-H’oedaibiyyah: de sociale en politieke invloed

Een aantal situaties bevestigden de diepgaande wijsheid en uitstekende resultaten van het vredesverdrag, dat Allah (de Verhevene) een “duidelijke overwinning” noemde. Hoe kan het ook anders dan dat de Qoeraysh het legitieme bestaan van de moslims op politiek niveau op het Arabische schiereiland inzagen en vervolgens met de moslims op gelijkwaardige voorwaarden begonnen te handelen. De Qoeraysh hadden met het verdrag indirect hun claim op religieus leiderschap verloren en toegegeven dat zij niet langer geïnteresseerd waren in andere mensen dan de Qoeraysh zelf, en hun handen aftrokken van elke vorm van tussenkomst in de toekomst over de religie op het Arabische Schiereiland. Het was niet de bedoeling van de moslims om de bezittingen van de mensen in beslag te nemen of hen te vermoorden door bloedige oorlogen te voeren, noch dachten zij er aan om hen te dwingen mee te helpen in hun pogingen de Islaam te verkondigen. Integendeel, hun enige doelstelling was een atmosfeer van vrijheid te creëren betreffende de ideologie en religie:  “..Dus wie wil, laat hem geloven; en wie wil, laat hem ongelovig zijn.” Soerat Al-Kah’f (18), aayah 29.

Aan de andere kant hadden de moslims de mogelijkheid om de Islaam te verspreiden over gebieden die tot op dat moment nog niet werden verkend. Wanneer er dan een bestand was, werd oorlog overbodig en kwamen de mannen bijeen en overlegden met elkaar, en niemand sprak over de Islaam zonder deze binnen te treden. Binnen twee jaar na het verdrag bekeerden twee keer zoveel mensen zich tot de Islaam als daarvoor. Dit wordt bevestigd door het feit dat de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) met veertienhonderd mensen naar Al-H’oedaibiyyah ging. En toen hij (Allah’s vrede en zegen zij met hem) twee jaar later Mekkah bevrijdde, was hij met 10.000 mensen. Het verdrag dat vijandigheden voor tien jaar staakte, toont tevens aan dat de politiek die door de Qoeraysh en hun medestanders werd uitgeoefend in zijn totaliteit heeft gefaald en het fungeert als bewijs van de ineenstorting van de aanzetter tot oorlog.

De Qoeraysh dachten dat ze bepaalde voordelen zouden verwerven door dit verdrag, maar in werkelijkheid bracht het geen enkele schade aan de moslims. Het ging hier om de clausule waarin stond dat de gelovige mannen die toevlucht bij de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zochten zonder de toestemming van hun beschermheer naar de Qoeraysh teruggestuurd dienden te worden. In eerste instantie leek dit op een vernietigende clausule en de clausule bleek in het moslimkamp niet geaccepteerd te worden. Echter, na verloop van tijd bleek het een grote zegening voor de moslims. De moslims die teruggestuurd werden naar Mekkah waren niet van plan om de zegeningen van de Islaam af te zweren; juist het tegengestelde vond plaats. De wijsheid achter dit verdrag nam haar volledige dimensies aan in verschillende gebeurtenissen.

Nadat de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) Medinah bereikte, kwam Aboe Baseer die van de Qoeraysh was ontsnapt als moslim naar hem toe. De Qoeraysh stuurde twee mannen om hem terug te halen en de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) moest hier aan voldoen. Op weg naar Mekkah lukte het Aboe Baseer om één van hen te doden en de andere vluchtte naar Medinah en Aboe Baseer achtervolgde hem. Toen hij de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) bereikte zei hij: “Jouw verplichting is over en Allah heeft jou daarvan bevrijd. Jouw plicht droeg me aan de mannen over, en Allah heeft me van hen bevrijd.” De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zei: “Dat je moeder afstand van je neemt (een uitdrukking om iets ernstigs aan te tonen), hij zou een oorlog hebben gestart als er anderen met hem waren.” Toen hij dat hoorde wist hij dat hij weer overhandigd zou worden.” Dus vluchtte hij van Medinah en ging naar Sayf Al-Bah’r. De andere moslims die onderdrukt werden begonnen toen naar Aboe Baseer te vluchten. Hij werd door Aboe Djandal en andere moslims gesteund, totdat zij een kolonie vormden. Snel daarna begonnen zij wraak te nemen op de Qoeraysh en vielen hun karavanen aan. De ongelovigen van Mekkah konden de bannelingen niet onder controle houden en smeekten de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) om de desbetreffende clausule uit het verdrag te verwijderen. Zij riepen hem aan bij Allah en hun familiebanden om de groep naar Medinah terug te laten keren. Hierop liet de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) de groep naar Medinah komen.

Dit was het resultaat van de clausule en het lijkt erop dat het allemaal in het voordeel van de moslimstaat heeft gewerkt. Er waren echter twee punten in het verdrag die bij sommige moslims nog steeds niet goed aanvoelden. Namelijk het punt waardoor ze dat jaar de gewijde grond niet mochten betreden en de ogenschijnlijke vernederende houding omtrent de verzoening met de ongelovigen van Qoeraysh. ‘Oemar (moge Allah tevreden met hem zijn) kon zichzelf niet beheersen vanwege het leed dat zijn hart volledig in beslag nam en ging naar de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) en zei: “Ben jij niet de ware boodschapper van Allah?” De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) antwoordde rustig: “Waarom niet?” ‘Oemar sprak weer en vroeg: “Zijn wij niet op het pad van rechtvaardigheid en onze vijanden op het verkeerde?” Zonder enige rancune antwoordde de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) dat dat juist was. Toen drong ‘Oemar (moge Allah tevreden met hem zijn) verder aan: “Dan zouden wij geen enkele vernedering moeten ondergaan op het gebied van het geloof.” De profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) zei met een perfecte zekerheid: “Ik ben de ware boodschapper van Allah, ik ben Hem nooit ongehoorzaam, Hij zal mij helpen.” “Vertelde jij ons niet dat wij de Pelgrimstocht zouden doen?,” zei ‘Oemar. “Maar ik heb jou nooit verteld dat wij deze dit jaar zouden verrichten,” zei de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem). ‘Oemar (moge Allah tevreden met hem zijn) was toen stil, maar zijn gedachten waren verstoord. Hij ging naar Aboe Bakr (moge Allah tevreden met hem zijn) en vertelde over zijn gevoelens. Aboe Bakr (moge Allah tevreden met hem zijn), die nooit twijfelde aan de waarheidsgetrouwheid van de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem), bevestigde datgene wat de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem) hem vertelde.

Vervolgens werd hef hoofdstuk van “de overwinning” geopenbaard: “Voorwaar, Wij hebben jou een duidelijke overwinning geschonken.” Soerat Al-Fat-h’ (48), aayah 1.

De boodschapper van Allah (Allah’s vrede en zegen zij met hem) beval ‘Oemar (moge Allah tevreden met hem zijn) bij hem te komen en stelde hem op de hoogte van de gezegende tijden. 

Bij het horen van dit nieuws werd ‘Oemar (moge Allah tevreden met hem zijn) zeer gelukkig, maar tegelijkertijd bevangen door een enorme spijt vanwege zijn houding. 

Hij verrichtte daarna veel liefdadigheid, onderhield zijn vasten en gebeden en bevrijdde zoveel mogelijk slaven als boetedoening voor zijn roekeloze houding.

In de eerste maanden van het zevende jaar na de Hidjrah was men getuige van de bekering van drie prominente mannen van Mekkah: ‘Amr Ibn al-‘Aas, Khaalid Ibnoe l-Walied en ‘Oethmaan Ibn Talh’ah, (moge Allah tevreden met hen zijn). Bij hun toetreding tot de Islaam zei de profeet (Allah’s vrede en zegen zij met hem): “De Qoeraysh heeft haar eigen bloed gegeven.”


Stichting Waqf/Eindhoven
Nederlands
Delen op Sociale Media

Test evenement 3

Introductie tot de Islamitische wetenschappen

Stichting Waqf / Eindhoven
Nederlands
Delen op Sociale Media

Test evenement 2

Opleiding Islamitische wetenschappen

Jan hanzenstraat 114 / Amsterdam
Nederlands
Delen op Sociale Media

Test Evenement 1

Het moslimkind in de westerse maatschappij

AL.ISLAAM.COM
Uw mobiele kennisbron over de Islaam

BESCHIKBAAR OP DE VOLGENDE APPARATEN